Wat wil je behouden als je anders gaat wonen?
Share
Er wordt in de vastgoedsector al een tijd gesproken over doorstroming, maar gelukkig, waar het eerder vanuit een wat mij betreft verkeerde invalshoek werd bekeken (de oudere is het probleem van stokkende doorstroming), is dat het gesprek over seniorenhuisvesting nu steeds vaker verder gaat dan aantallen woningen, metrages en de vraag hoeveel appartementen er bij moeten.
In een recent webinar van Stadszaken en MarketResponse ging het juist over levensfase, drijfveren en dagelijkse gewoonten. Over het simpele gegeven dat ‘de oudere’ helemaal niet bestaat en dat leeftijd maar weinig zegt over hoe iemand woont, waar iemand zich prettig voelt of wat iemand nodig heeft wanneer het leven verandert.
Dat lijkt logisch, maar in de praktijk wordt woonbehoefte nog heel vaak vertaald naar woningtype. Een huis met tuin versus een appartement. Drie slaapkamers versus twee. Gelijkvloers, een lift, een gezamenlijke ruimte. Allemaal relevante kenmerken, alleen vertellen ze nog weinig over wat zich op een gewone dinsdag in dat huis afspeelt.
Een tuin kan belangrijk zijn omdat iemand iedere ochtend buiten koffie drinkt, omdat er een hond rondloopt, omdat de kleinkinderen op woensdag komen, omdat tuinieren al dertig jaar bij het ritme van de week hoort of omdat een open deur naar buiten simpelweg onderdeel is van hoe iemand graag woont. Diezelfde behoefte kan uiteindelijk in heel verschillende woonvormen terechtkomen.
Hetzelfde geldt voor die extra slaapkamer die misschien overbodig lijkt zodra de kinderen het huis uit zijn. Maar misschien slaapt er iedere week een kleinkind, staat daar de naaimachine omdat iemand de oude hobby weer heeft opgepakt, werkt iemand er nog twee dagen per week of slapen partners al jaren prettiger in een eigen kamer.
Daar zit het belangrijkste van deze ontwikkeling. Dat er binnen vastgoed steeds meer aandacht komt voor de mens achter de verhuisbeweging en voor de vraag wat iemand in een volgende levensfase daadwerkelijk nodig heeft.
Bij Original Escargot kijken we daar nog dichter op. Naar het gewone dagelijkse leven in en rond een huis, naar wat mensen werkelijk doen, welke plekken ze gebruiken, waar ze graag zijn, wat ze ongemerkt hebben georganiseerd rondom hun huidige woning en welke rol de buurt en omgeving daarin spelen.
Want kleiner wonen zegt op zichzelf eigenlijk heel weinig. De vraag is wat er mee moet kunnen verhuizen wanneer het huis verandert.
En daar ontstaan uiteindelijk ook passender woningen uit. Mensen van een bepaalde leeftijd hebben niet altijd ongeveer hetzelfde nodig, en dit geeft vanuit een veel preciezer beeld van de levens die zich straks in die woningen moeten afspelen.